Groepen 1-2

Algemeen

In de groepen 1-2 wordt gewerkt met de methode Schatkist. Hier spelen Pompom en Zoem de Bij een centrale rol binnen de thema’s. Elk thema start met een probleem van Pompom, zodat de kinderen kennismaken met het onderwerp. Samen met Pompom gaan ze op zoek naar oplossingen voor het probleem, waarbij het thema steeds verder onderzocht wordt. Dit gebeurt door middel van verhalen, filmpjes en opdrachten in de kring en in de hoeken. Elk thema wordt een nieuwe letter aangeboden door Zoem de Bij, waarbij de nadruk ligt op: hoe klinkt de letter, hoe voelt het om de letter te zeggen, hoe ziet de letter er uit en hoe voelt de vorm? Elk thema wordt er ook een taaltocht afgelegd. Daarin is aandacht voor de verschillende taalvaardigheden (rijmen, woorden in klankgroepen verdelen, woorden zoemen, hetzelfde/ander woord horen. Kinderen leren de woorden te zoemen. Ze verlengen dan de klanken. Dit is om te ontdekken welke klanken er in een woord zitten en een voorbereiding op het zoemend lezen in groep 3. In de rekenhoek liggen rekenschatten die passen bij het thema. Daarmee kunnen de kinderen met de getallenwand werken, waarbij tellen, meer-minder-evenveel, sorteren en de cijfersymbolen de aandacht krijgen. De kinderen beginnen in groep 1 en 2 al gelijk met het leren van allerlei vaardigheden en doen ook een heleboel kennis op. Aan welke doelen wij elk halfjaar zullen werken kunt u lezen in onderstaand overzicht per ontwikkelingsgebied (per jaargroep). Dit betekent dan ook dat we van de kinderen verwachten dat ze deze vaardigheden aan het einde van de betreffende periode beheersen.

Kring

Hier is de luisterhouding van belang. Ze moeten betrokken zijn. De kinderen kunnen reageren op anderen en vragen stellen. Ze houden zich aan de klassenregels. De verhalen, liedjes en versjes die wij aanbieden, moeten worden onthouden.

Sociaal-emotioneel

De kinderen zoeken contact met de leerkracht en met klasgenoten en reageren op elkaar. Ze lossen zelf hun problemen op, door onder anderen gebruik te maken van ‘Stop hou op’. Slaan, schoppen en ander fysiek contact wordt niet geaccepteerd. De kinderen gaan met plezier naar school.

Groep 1 periode september – januari

Taal

De kinderen moeten duidelijk verstaanbaar spreken. Hierbij maken ze zinnen die uit minimaal 5 woorden bestaan. De woordenschat moet voldoende zijn. Ze maken gebruik van ik, jij, zij, hij, wij, iedereen, alles en bijvoeglijke naamwoorden. De kinderen begrijpen enkelvoudige opdrachten en voeren deze uit. Naar aanleiding van de omslag van het boek, moeten de kinderen de inhoud kunnen voorspellen.

Motoriek:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; over de bank lopen, klimmen op de kast en 4 sporten in het klimrek, springen van de kast. Daarnaast kunnen de kinderen het materiaal op de juiste wijze beheerst hanteren. De schaar mag nog ongericht.

Visueel:

De kinderen maken een puzzel van minimaal 9 stukjes. Ze kunnen een domino maken met afbeeldingen van abstracte figuren. Ze moeten de kleuren rood, geel en blauw kunnen benoemen.

Auditief:

Kinderen kunnen aangeven of ze hetzelfde of een ander muziekinstrument horen en een geluidenlotto maken.

Rekenen

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; getalbegrip t/m 5 (aanwijzend tellen, meer-minder-evenveel, verdelen). Zij kunnen de volgende begrippen gebruiken: groot-klein, hoog-laag, lang-kort, breed-smal, dik-dun, ook in de overtreffende trap. De kinderen kennen de vergelijking zwaar-licht, door middel van schattend wegen.

Groep 2: periode september – januari

Taal

De kinderen moeten duidelijk verstaanbaar spreken. Hierbij maken ze zinnen die uit minimaal 7 woorden bestaan. De woordenschat moet voldoende zijn. Ze maken gebruik van meervoudsvormen van woorden.
De kinderen maken mededelende en vragende zinnen.
De kinderen begrijpen opdrachten die uit twee delen bestaan en voeren deze uit. Aan het einde van een verhaal kunnen ze wie, wat, waar vragen beantwoorden.

Motoriek:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; lopen over de omgekeerde bank, koprol maken en op de tenen lopen. De kinderen hebben een goede potloodgreep en kunnen gericht knippen. Ze kunnen kleine voorwerpen met duim en wijsvinger vastpakken.

Visueel:

De kinderen maken een puzzel van minimaal 24 stukjes. Ze benoemen 10 verschillende kleuren.

Auditief:

Kinderen horen het verschil tussen hoge-lage en lange-korte geluiden. Ze kunnen rijmen.
Rekenen:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; getalbegrip t/m 15 (aanwijzend tellen, doortellen vanaf willekeurig getal, volgende-vorige getal, meer-minder-evenveel, cijfersymbolen, erbij-eraf) en ze kennen de begrippen samen en niets. De kinderen kunnen inhouden en gewichten bepalen en daarbij de behorende begrippen gebruiken. Ze gebruiken de woorden ‘kopen’ en ‘betalen’ en weten de betekenis hiervan.
De kinderen zijn bekend met de tijdsbegrippen; lang-kort-snel-even-toen-nu-straks-vroeg-laat. Ze kunnen lengte bepalen met behulp van bijvoorbeeld hun voeten.

Groep 1: periode februari-juli

Taal:

De kinderen moeten duidelijk verstaanbaar spreken. Hierbij maken ze zinnen die uit minimaal 6 woorden bestaan. De woordenschat moet voldoende zijn. Ze maken gebruik van de lidwoorden de, het en een en kunnen de verkleinwoorden op de juiste wijze gebruiken. De kinderen maken mededelende en vragende zinnen. De kinderen begrijpen opdrachten die uit twee delen bestaan en voeren deze uit. Naar aanleiding van plaatjes uit het boek, moeten de kinderen een verhaal kunnen navertellen. Eenvoudige verhalen kunnen ze navertellen uit het hoofd.

Motoriek:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; over de bank rennen, klimmen en klauteren, ergens vanaf springen, hinkelen en gooien. De kinderen kunnen een schaar en potlood vasthouden en beheerst gebruiken.

Visueel:

De kinderen maken een puzzel van minimaal 16 stukjes.

Auditief:

Kinderen horen het verschil tussen hoge en lage geluiden en kunnen deze nadoen. Ze zeggen zinnen na die bestaan uit 5 woorden. Namen van groepsgenoten kunnen de kinderen in klankgroepen (soort lettergrepen) verdelen. Ze kunnen dezelfde geluiden bij elkaar zoeken met gehoorkokers.

Rekenen:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; getalbegrip t/m 10 (aanwijzend tellen, terugtellen, meer-minder-evenveel, cijfersymbolen, verdelen, erbij-eraf), rangtelwoorden t/m 5. Zij kunnen de volgende begrippen gebruiken: groot-klein, hoog-laag, lang-kort, breed-smal, dik-dun, ook in de overtreffende trap. De kinderen kunnen inhouden vergelijken en schattend wegen. Ze beheersen de tijdsbegrippen ochtend-middag-avond, de jaargetijden, de dagen van de week, vandaag-gisteren. De kinderen kunnen processen beschrijven.

Groep 2: periode februari – juli

Taal:

De kinderen moeten duidelijk verstaanbaar spreken. Hierbij maken ze volledige zinnen die uit minimaal 7 woorden bestaan. De woordenschat moet voldoende zijn. Ze maken gebruik van ontkenningen met niet of geen in een zin. Ze moeten algemene en specifieke beschrijvingen kunnen geven. De kinderen maken mededelende en vragende zinnen. De kinderen begrijpen meerdere en samengestelde opdrachten en voeren deze uit. Aan het einde van een verhaal kunnen ze zelf vragen stellen. Het verschil tussen lezen en schrijven is bekend.

Motoriek:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; klimmen 4 sporten in het klimrek, een bal gericht gooien en vangen en springen van de kast. De kinderen kunnen op een beheerste manier hun naam schrijven en de schaar hanteren.

Visueel:

De kinderen maken een puzzel van minimaal 48 stukjes.

Auditief:

Kinderen geven van twee woorden aan of zij net even anders of precies hetzelfde zijn . Ze kunnen rijmen. Namen van groepsgenoten kunnen de kinderen in klankgroepen (soort lettergrepen) verdelen. Van woorden die in de losse klanken worden uitgesproken wordt het juiste plaatje aangewezen. Zij kunnen woorden die uit drie klanken bestaan samenvoegen tot het juiste woord. De kinderen kunnen een zin nazeggen an 8 woorden en geven aan wat het eerste en laatste woord is in een zin.

rekenen:

De kinderen beheersen de volgende vaardigheden; getalbegrip t/m 20 (aanwijzend tellen, doortellen vanaf willekeurig getal, meer-minder-evenveel, cijfersymbolen, erbij-eraf) en ze kennen de betekenis van 0 als ‘niets’ en in 10 / 20. Zij kunnen terugtellen vanaf een willekeurig getal en de getallen schrijven t/m 10. De kinderen kunnen lengtes, inhouden en gewichten vergelijken en bepalen met meer dan vier hoeveelheden en vervolgens in de juiste volgorde leggen. De kinderen weten hoe ze hoeveelheden kunnen schatten t/m 6 en splitsen t/m 10. Ze gebruiken de woorden ‘euro’ en ‘papiergeld’ en ‘munten’. De kinderen zijn bekend met de tijdsbegrippen; aangeven van de functie van de klok (grote-kleine wijzer), hele uren aflezen van een gewone en een digitale klok.

Onze hoofdlocatie

Groepen 3 t/m 8
Burgemeester Amersfoordtlaan 61
1171 DM Badhoevedorp
T: 020 449 1111
E: info@onsschool.nl

Prinses Amaliagebouw

Groepen 1 t/m 2
Roerdompstraat 14
1171 HC Badhoevedorp
T: 020 449 1111
E: info@onsschool.nl